Menu
Column

Maakt u zich vooral geen zorgen, al is de ziekte ongeneeslijk

Ziek! De diagnose stelt dat ik lijd aan dromomania, de sterke zucht tot zwerven of – vrij vertaald – de niet te onderdrukken drang om op reis te gaan, ook reizen fuga genoemd. Het is een erkende ziekte in dit nieuwe millennium, en ik ben blij te kunnen stellen dat ook ik besmet ben met het virus.

Maar… Dromomania is een sluipend gif en het wordt erger met de jaren. Een terminale patiënt wil uiteindelijk een reis rond de wereld maken. Omdat zo een onderneming vandaag de dag minder moeite kost sinds Phileas Fogg in 1872 op weg ging, gaf ik – door allerlei omstandigheden – al toe aan de drang.

Ik ben dan ook heel ziek.

Tra parentesi: het was een halve stunt met een puur journalistieke invalshoek. ‘Around the world’ in amper twee stops. Het ultieme onderweg zijn. Vliegen om te vliegen. Bewijzen dat er geen afstanden meer zijn.

Ik had één spontane conclusie: de wereld is te klein. Of anders gesteld: ik heb altijd gedacht dat onze aardbol groter was. Nu je zelfs via de Siberische poolroutes van Amerika naar Azië via een maritieme binnenweg kan, is de wereld helemaal een dorp geworden. Dacht ik. Dat is ook het punt waarop de ziekte een koortsniveau bereikt.

Zeer gevaarlijk! Dus grijpen we in. Ik ga voortaan deels anders reizen. Niet omdat ik het reizen beu ben, integendeel -wie reist, leeft dubbel; maar ‘de ziel reist met de snelheid van een paard’, zegt een levenswijsheid.

De oplossing heet slow travel.

Tien jaar geleden reisde ik per trein dwars door Australië. Traag, op het ritme van de kangoeroe. Heerlijke dagen in trance met de spoorcadans als hartslag. Een trein vol schitterende figuren, geschikt voor lange gesprekken, veel sfeer en prachtige landschappen. Ik hou ook van lange autoritten: door pampas en rockies op de Alaska Highway bijvoorbeeld, stoppen voor een koffie, benzine en een plas. Of de cirkeltour in Canada, vierduizend kilometer alsof je in een viewmaster zit. Zalig… Een glas wijn aan een vuurtje in de ‘middle of nowhere’, met de jeep stoppen wanneer de zon ondergaat, uren op een terrasje naar een waterval kijken of een ochtendwandeling op een verlaten Pacific-strand met alleen de zee en de wind als gezelschap. En schepen kunnen niet traag genoeg varen.

Want waarom wil de hedendaagse reiziger overal zo haastig naartoe? Treinen moeten razen, vliegtuigen met een half uur vertraging worden als een storend probleem gemeld. Autoritten naar het zonnige Zuiden ontaarden in nachtelijke non-stop kamikaze-projecten. Er heerst onrust alom. Wat is er gebeurd met het zogenaamde onthaasten? Waarom kan de reis zelf niet langer als een essentieel onderdeel van de bestemming gezien worden? Ik denk dat reizen te vaak fastfood geworden is. Men wil steeds meer, steeds sneller, liefst vele tochten per jaar, maar ze worden afgehaspeld aan een waanzinnig tempo.

Een goede raad: slow travel als tegengewicht voor het professionele, snelle reizen. Laat de rust en stilte je maar als een boemerang in het gezicht slaan! Leve het shockeffect. Want slow is het nieuwe klassiek.

(in Travel Etc, lente 2015)